Voorwoord
Zoals ik dat meestal doe na een reis, heb ik ook van de trip naar Tanzania enige schriftelijke
neerslag van de daar beleefde avonturen gemaakt.
Uiteraard kan ik op geen enkele wijze aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud.
Hoewel ik er uiteindelijk toch maar in geslaagd ben vlot acht bladzijden vol te typen,
voel ik me verplicht te vermelden dat dit slechts een zeer summiere samenvatting,
ja zelfs selectie is van de gedane activiteiten, ondergane impressies en genoten emoties
aldaar. In aanvulling met enkele foto's ter illustratie in de tekst zou het in elk geval een beknopt idee kunnen geven
van de reis die ondernomen werd gedurende twee weken van juli 2006.
Aan het einde van deze pagina vind je een beperkte fotoselectie.
Inleiding
Ergens aan het einde van academiejaar 2004-2005 kwam Professor Herwig Leirs (van de Universiteit Antwerpen)
bij enkele studenten polsen of er interesse zou zijn voor een georganiseerde reis naar Tanzania.
Spoedig hierop volgde de eerste infoavond.
Een jaar later staan maar liefst een vijftigtal biologiestudenten van tweede Bachelor en eerste
Licentie klaar om te vertrekken. Velen zijn nog nooit in Afrika geweest.
Het is de eerste keer dat zo’n reis voor zoveel studenten georganiseerd wordt,
en slechts de organisatoren kunnen er maar een idee van hebben hoeveel voorbereidingswerk
dit heeft gekost. In beschouwing nemend hoe goed alles in elkaar zat en hoe
weinig er echt fout is gelopen (niets?), moet dat redelijk veel geweest zijn.
Verslag
Donderdag 13, Vrijdag 14 juli, 2006
Met de bus van Antwerpen naar Parijs, gevolgd door het vliegtuig van Parijs naar Dar Es Salaam. Reken daarbij een
halve dag tussenstop in Dubai, een bloedhete en van kitscherige pseudorijkdom overgoten deelstaat van de Verenigde
Arabische Emiraten, en je komt aan anderhalve dag reizen.
Herwig stelt ons bij aankomst voor aan Sabouni, die verbonden is aan de universiteit van Morogoro
en een stevig deel van de locale voorbereidingen van onze reis op zich heeft genomen.
Vlug nog worden Euro’s voor Shillings omgewisseld, en twee uit de kluiten gewassen Toyota-busjes brengen ons naar
ons hotel.
Zaterdag 15
Na een uitgebreid ontbijt bestaande uit twee boterhammen worden onze rugzakken weer op de busjes gebonden door de chauffeurs, en een vier uur durende rit laat ons niet alleen voor het eerst kennismaken met een algemeen beeld van een Tanzaniaanse stad, Tanzaniaanse dorpjes en al wat zich daar tussen bevindt, maar brengt ons tevens naar onze kampplaats. Deze ligt dicht bij de SUA (Sokoine University of Agriculture) in Morogoro, maar toch ver genoeg om voldoende uit het zicht van enige bewoonde wereld te zitten.
De tenten worden opgezet, net als de tenten van de koks, en we brengen een bezoekje aan het Pest Center van de
universiteit, gevolgd door een kleine wandeling.
Bij terugkomst wordt kennis gemaakt met enkele voor de meesten onbekende begeleiders, en worden de projectjes besproken die de
komende vier à vijf dagen door de studenten uitgevoerd zullen worden.
Tegen het vallen van de avond zijn tot ons groot jolijt en verbazing de koks bezig vanuit het niets bankjes
ineen te timmeren voor rond het nog onbestaande kampvuur. We hebben er dan ook alle begrip voor dat het
avondeten redelijk laat wordt opgediend.
Sommigen verkiezen hierna een avondpromenade te wagen met sterke lampen, stiekem hopend in deze voor ons nog
onbekende omgeving wilde dieren te vinden. We moesten het doen met een vette skink en een nachtzwaluw, ook al niet min.
Zondag 16
Zondag of niet, om zeven uur begint een begeleide verkenningstocht in de buurt van de kampplaats, om ons een eerste kennismaking met de plaatselijke vogelwereld te laten maken. Een hele hoop vogels met welklinkende namen moet zo vlug mogelijk in ons geheugen geraken. Cordon-bleus, Red Bishops, Cut-throat Finches, Bulbuls, Go-away Birds,… voor ons project zullen we ze namelijk allemaal zelf kunnen benoemen. Als dat maar goed komt.
Na het ontbijt leiden Vincent, begeleider en doctoraatsstudent uit Antwerpen en Konrad, een Zuid-Afrikaan met subtiel gevoel voor humor, de groepjes die iets met vogels zullen doen rond in de wijde omgeving.
De avondwandeling wordt geen groot succes.
Maandag 17
Voor een academische subsidie moet wat in de plaats staan. In ons geval is dit het uitwerken van een zelfgekozen projectje. Sommigen zullen trachten meerkatten te vinden, anderen proberen hun geluk uit met mangoesten. Sommigen vangen knaagdieren en brengen ze de verstikkingsdood toe. Een viertal groepjes, waaronder dat waar ik deel van uitmaak, zal vogelobservaties doen. Mijn groepje, waar verder nog Joke, Simon en Stefi bijhoren, zal iedere dag op een andere locatie vogeltellingen doen, waarmee zowel een soortenlijst voor de omgeving kan opgemaakt worden, enkele benaderende biodiversiteitsindices zullen berekend kunnen worden en waarmee vogelactiviteit van voor- en namiddag vergeleken kan worden.
Vandaag loopt ons lijntransect naast de kampplaats.
Dinsdag 18
Tegenover de campus van de SUA bevindt zich een botanische tuin. Daar is onze tweede locatie gelegen.
’s Avonds nodigt Herwig ons uit deel te nemen aan het nachtleven in Morogoro. Feilloos gidst hij ons naar twee plaatsen. De eerste bestaat uit een terras met vooraan een podium. Niet om vrij op te dansen, wel voor enkele dansers waarnaar gekeken mag worden. Spoedig wordt van locatie veranderd, naar een soort discotheek waar meestal wel vrij gedanst mag worden. In een uithoek staat een groepje Maasai-krijgers ongegeneerd te poolen. Een krijger die er niet bij hoort wordt prompt genadeloos versierd door Caroline.
Woensdag 19
Op onze derde locatie, gelegen op een vrij drukke zandweg, vinden we maar weinig. Voor het equivalent van 70
eurocent nemen we met enkelen de taxi terug naar onze kampplaats.
Na de middag proppen we ons in de busjes, want er is een bezoekje gepland naar de Maasai, een in legenden gehulde stam.
Eerst houden de busjes halt waar de Maasai-vrouwen hun rommel aan ons kunnen verkopen: kalebassen, kralenkettingen
waar gewoonlijk kleuters na een dagje hard werken op school mee thuiskomen, messen,… Meteen wordt ook al duidelijk
dat deze lui reeds goed weten welke prijzen ze aan toeristen kunnen vragen.
Na nog tien minuutjes in de bus worden we ontvangen door de burgemeester, wiens uitleg vlot door Herwig vertaald
wordt; “Nu niet allemaal plots omkijken, maar die gedroogde koeienstront op het hoofd van die baby is om de nog
onvolgroeide schedel te beschermen”.
Het stamhoofd kondigt aan dat de krijgers ons nu op een traditionele dansrite zullen trakteren.
Bij deze gaan enkele ruig ogende krijgers in een halve cirkel staan, en onder het produceren van vreemde grom-
en bromgeluiden springt er af en toe een in het midden om te tonen hoe hoog hij kan springen. Ook de lokale
dorpsidioot mag meedoen.
Niet exact wetend wat ik van dit met vrolijke humor doordrongen volk moeten denken, nemen we de bus terug.
Op de avondwandeling zien we niet alleen enkele skinken, maar ook een Zwarte Mamba wegkruipen.
Donderdag 20
De laatste dag in Morogoro is aangebroken, en ook vandaag doen we het iets rustiger aan met ons project. In de
voormiddag is er een uitstapje naar het stuwmeer gepland.
Enkele politie-agenten proberen ons als toeristen een stevige som te laten betalen wegens het betreden van hun
natuur. Goed geprobeerd, maar onze vlot Kiswahili-sprekende begeleiding weet wel beter. In een tweede poging geld
van de blanken lost te peuteren bieden ze ons tochtjes aan in hun lekke kano’s. Sommigen, waaronder uiteraard
ikzelf, nemen graag deze kans waar.
Caroline, die een verliefde roeier als gezelschap heeft, wordt eenmaal buiten het zicht van de anderen min
of meer ontactvol versierd. Wat bleekjes komt ze even later terug aan land, terwijl de andere partij vanaf nu
kan meespreken over het lopen van blauwtjes.
Plots zie ik vanuit alle hoeken van de gemeenschap inboorlingen naar één punt rennen. Dit punt is Simon
in kleermakerszit. Ik ren mee, en kijk hoe mijn klasgenoot op aanvraag een tekening uit zijn schetsboek
laat zien. Een stevige vrouw van middelbare leeftijd (zo van het type waar je liever geen amok mee maakt)
vecht zich naar voren tussen de omstaanders, en rukt zonder pardon Simon het boek uit zijn handen. Mijn frank
valt dat het waarschijnlijk deze vrouw is, die zonet nog haar was stond te doen, die in deze hoedanigheid in
een tekening bedoeld was vereeuwigd te worden. Onder buldergelach van de (vooral zwarte) menigte scheurt de woeste vrouw de
tekening uit het boek, geeft dit laatste terug aan de eigenaar, kijkt hem vernietigend aan en blijft nog een
minuutje of twee in het rond tieren.
Simon toch. Weet je dan niet dat je al getrouwde vrouwen niet zo onsubtiel mag versieren?
Verder die dag wordt er nog yoghurt gegeten in de plaatselijke yoghurt-bar, reken ik voor de derde dag op rij af met een zogenaamde diarree, snijden onze koks twee geiten de keel over om op de barbecue te leggen, worden spanningen tussen ongehoord veel studenten alsmaar meer openlijk, vinden sommige studenten nog vlug de gelegenheid ergens postkaartjes te kopen, en komt er ’s avonds een Afrikaans lawaaibandje optreden. Op waardige wijze wordt ons vijf-daagse verblijf in Morogoro afgesloten.
Vrijdag 21
De volgende ochtend vertrekken we om acht uur ’s morgens, om negen uur zit iedereen in de bus en tegen half tien
rijden de busjes door. Doel van de dagrit is Ruaha National Park, maar dat we tussendoor eerst een ander NP moeten
doorkruisen vinden we niet zo erg. Hier zien we onze eerste giraffen al, sommigen ook hun eerste leeuwen. We
nuttigen onze lunch in een restaurant dat in Tanzania waarschijnlijk hoge ogen gooit in de sterrenslag, en
vervolgen de vermoeiende trip. Het duister is reeds ingetreden als we Ruaha NP binnenrijden, en even later
wordt ons kamp opgezet, dicht bij de Great Ruaha. Het was streng verboden deze rivier te benaderen in het
donker, aangezien ze rijkelijk gevuld is met nijlpaarden en krokodillen.
Gedurende de nacht zullen deze tussen de tenten komen rondsnuffelen, net als jakhalzen en ander fraais.
Zaterdag 22 & zondag 23
Ons weekend wordt koninklijk gevuld met bussafari’s (zgn. game drives) en een voetsafari.
Voor deze laatste krijgen we begeleiding van met zware geweren bewapende rangers. Onze aandacht gaat in eerste instantie
uit naar de wapens. Mogen we ze ook eens vasthouden? In acceptabel Engels en met een ongehoord ernstig gezicht deelt
de ranger ons mee "It is strictly (met een zware nadruk op strictly) prohibited for others to touch the gun".
Dit ben ik op de volgende dag:

Verder zijn we op de voetsafari krokodillen tot op enkele meters genaderd, net als sommige van de honderden nijlpaarden
die de rivier waarschijnlijk hun volume doen behouden. Naast enkele giraffen hebben we niet veel meer gezien,
hoewel we ook wel op leeuwen hadden gehoopt.
In de namiddag gaat een van de twee busjes een langere trip maken in de hoop buffels te kunnen zien, en
misschien zelfs elandantilopen.
Na enkele minuten rijden houdt de bus al halt aan een woonplaats voor klipdassen. Het geluk is met ons
want individuen van maar liefst twee soorten komen een kijkje nemen naar buiten.
Even later zien we in de vegetatie langs de weg tientallen buffels staan. Ze zijn redelijk schuw, maar we
hebben ze toch mooi kunnen zien!
Leeuwen zien op safari was volgens enkele ervarener mensen niet zo vanzelfsprekend als soms gedacht wordt.
Wij boffen dan ook dat we enkele welpen op de weg voor ons zien liggen. Aan de kant lag een vrouwtje
enthousiast in een giraffenkadaver te happen, af en toe bijgestaan door haar jongen. We blijven een eeuwigheid
kijken, ons maar al te goed bewust van ons geluk. Enkele gieren strijken reeds neer in ons omringende bomen.
De fototoestellen worden onbeschaamd versleten.
Uiteindelijk besluiten we toch verder te rijden, stiekem hopend dat het de beurt zal zijn aan de hyena’s op onze
terugweg.
We zien meer buffels, impala’s, gele bavianen, Kirk’s dik-dik’s, koedoe’s, waterbuffels,…
Koedoe’s zijn een soort van grote hertachtigen, dik-diks zijn hele kleine, jazelfs schattige hertachtigen, nog
veel kleiner dan een ree. Om een of andere reden hebben ze de gewoonte hun uitwerpselen, die het uitzicht
hebben van Kellogg’s Rice Krispies, te deponeren op olifantendrollen. Dit geheel terzijde.
Bij onze terugkeer is de plaats van het giraffenkadaver niet moeilijk terug te vinden: bomen vol hongerige Maraboe’s zeggen genoeg. Helaas was het nog niet de beurt aan de hyena’s, wat dan ook een soort is die ik gemist heb op deze Afrikareis. Stage, bedoel ik.
Fana roept plots “Leeuw!!”. Hoe ze hem gezien heeft blijft zal voor altijd een raadsel blijven. In elk geval zit ergens verstopt tussen de struiken aan onze rechterkant een enorme mannetjesleeuw met zwarte manen. Als stoere mannen kruipen we met sommigen die aan de linkerkant van het busje zaten uit het raam om over het dak te kunnen kijken. De Leeuw (want dit was er een met een hoofdletter!) komt langzaam dichterbij. Is dan even onzichtbaar. Dan plots een stuk dichterbij. Stel dat hij een spurtje doet naar de achterkant van de bus. Hoeveel seconden zouden we dan hebben om terug door het raampje te klimmen? Een gebrul stijgt op van erg dichtbij, en terwijl menig bruine streep gevormd wordt glijden vier stoere knapen als bange konijntjes terug in het busje. De leeuw steekt traag de weg over op enkele meters achter het busje. Ik heb zelf geen fototoestel, maar ben benieuwd naar welke wondermooie plaatjes de anderen geschoten zullen hebben. Dit was een monsterdag.

Terwijl we in de schemering kampwaarts rijden zien we plots een silhouette van een gigantische uil, een of andere
oehoe, in een boom langs de weg. Honderd meter verder een ander exemplaar in de vlucht.
Mijn excuses, nu begint het erover te gaan; een uit de kluiten gewassen olifantenstier langs de kant van de weg doet de
chauffeur vertragen. Geen goed idee, want het in het nauw gedreven dier reageert onmiddellijk met een angstwekkende
schijnaanval. Gelukkig besluit hij evenals onze chauffeur het hazenpad te kiezen.
Een onvergetelijke dag. We zijn nu klaar om ons aan een ander biotoop te wagen.
Maandag 24
Om acht uur ’s ochtends vertrekken we naar Udzungwa, een nationaal park met een soort tropisch bergregenwoud. Aan
het einde van de lange reis is het niet lang meer licht, maar dat houdt de mensen niet tegen eens decadent gebruik
te maken van een douche met stromend (berg)water!
Op deze plek is slechts één verblijfsdag gepland, dus we zullen hem optimaal moeten benutten…
Dinsdag 25
In de ochtendvroegte stappen we naar het regenwoud, hierbij links en rechts een al dan niet
endemische primaat spottend. De bewapende rangers laten op zich wachten, maar even later zitten we
dan toch midden in het regenwoud. Aan een heldere, snelstromende rivier die we moeten doorwaden houden we even
halt, maar hierna zetten onze gidsen de tocht met gevatte tred verder. Na een uurtje stappen in een bijzonder
mooie omgeving met verrassend weinig lastige insecten en des te meer mooie, worden we tot stilstaan aangemaand.
We zijn aangekomen op de plek waar deze ochtend een groep zeer endemische primaten werd gezien. In kleine groepjes
sluipen we erheen, en ja hoor, even later kunnen we erg mooie mangabey’s zien, een apensoort die slechts en
alleen maar in dit gebergte gevonden kan worden!
Dat we deze primatengroep zo eenvoudig te zien konden krijgen was het gevolg van de reeds jarenlange
aanwezigheid van een Amerikaanse onderzoekster, die om deze dieren te kunnen bestuderen eerst moest zorgen
dat ze ophielden mensenschuw te zijn. Nu is het maar te hopen dat er geen malafide geesten zijn die hier
misbruik van zullen maken, maar de bescherming van het gebied leek wel dik in orde.
Het is snikheet, en in de namiddag is een uitstap naar een bergmeertje gepland, wat een forse beklimming van
zo’n uur zou kosten. Ditmaal wachten we niet op de gids(en), en volgen een pad waarvan we vermoeden dat het
wel het juiste zal zijn. Uiteindelijk geraken we aan een schitterend bergmeertje (eigenlijk zijn we opgesplitst
geraakt in twee groepen, maar beide vinden een gepast zwemstekje), alwaar we cool en stoer doen en vooral een
bijzonder verfrissende duik nemen.
Inmiddels hebben de rangers ons gevonden, en ze beginnen spontaan te wurtelen over de risico's van onze zelfstandige tocht.
Hopelijk laten ze het hierbij.
Wat mij betreft hadden we hier nog wel een dagje langer mogen blijven, maar het was mooi geweest. Onze laatste campingplaats staat te popelen om ons te mogen ontvangen.
Woensdag 26
Een uitputtende trip, gelukkig onderbroken door een middagmaal in een wegrestaurant met ongekende luxe, voert ons naar Saadani, gelegen aan de oostkust.
Donderdag 27
Het wordt wat rustig gehouden vandaag, in de namiddag is er een game-drive. Naast de gebruikelijke giraffen,
bavianen en ander gespuis krijgen we onder andere nog enkele nachtzwaluwen en een soort konijn te zien.
Gedurende de vier dagen dat we hier zullen verblijven zal iedere dag een groep vertrekken om te gaan snorkelen,
terwijl een andere groep dan zal meehelpen aan het “knaagdierenproject”, waarbij vallen moeten worden uitgezet,
gecontroleerd, en eventuele vangsten worden gedood en gedissecteerd. Aangezien ik me niet kan vinden in de wijze
waarop dit project wordt uitgevoerd (over het project zelf zal ik me niet uitspreken, hoe kan dat ook wanneer
geen informatie werd verstrekt) verleen ik hiertoe mijn deelname niet.
Vrijdag 28
Zoals reeds de twaalfde dag op rij zijn de koks veel te laat met het ontbijt, waardoor van het geplande zeer
vroege vertrek niet veel kon komen. Dit bleek achteraf nogmaals geen probleem te zijn. We verdelen ons in een
snorkelgroep (waartoe ik behoor) en een rattengroep.
Als snorkelaars rijden we een uurtje naar waar we moeten zijn, en worden eerst verwelkomd door het
schildpaddencommité. Een jonge kerel wil schildpaddeneieren uitgraven om ons te tonen waar ze liggen, en heeft
ze na een half uurtje graven dan toch gevonden (hij heeft ze dan nog eerst zelf hier begraven, nvdr.).
Noemenswaardig is zeker hoe diep die (ca. 120!) eieren wel zitten! Een zwarte bioloog die er de leiding heeft
pareert tot ons jolijt onze vragen steevast met “probably there is a biological reason”.
Helaas, het weer zit niet mee, en de schipper die ons met een motorbootje naar de zandbank zou brengen waar we
zouden snorkelen, besluit dat het beter is wegens de harde wind terug te keren en een andere dag te proberen.
Het zij zo.
Zaterdag 29
Vandaag vergezel ik de rattengroep, en tot zowel mijn verbazing als blijheid wordt slechts één individu geoogst.
We maken barvoets een tochtje door een mangrovenbos, hierbij tussen honderden wenkkrabben lopend en hier een daar
een nijlpaardenspoor volgend. Onze voeten hangen vol klei-achtige grond, en Marilyn gaat ze spontaan afspoelen in
het naastliggende meer. Even spontaan wordt ze er door enkele locals uitgelokt, waarbij haar duidelijk wordt gemaakt
dat ze blij mag zijn dat de krokodil nog niet met haar was weggezwommen.
In de namiddag lopen we nog naar het dorpje dichtbij ons kamp gelegen. Voor gamba’s, koekjes, mango’s,… Hier lijkt
de bevolking nog te ongerept om de blanke man eens goed af te rippen.
Zondag 30
Deze nacht heeft het flink geregend. Mijn Aldi-tentje heeft gelukkig geen druppel binnengelaten. Wat wel heeft
afgezien van de regen zijn de wegen, die herschapen zijn tot een aaneensluiting van modderpoelen. Een poging om
de snorkelplaats te bereiken met het busje loopt vast in de modder. De enige mogelijkheid om ter plaatse te geraken
met de hele groep is een jeep twee keer laten rijden, en zelfs met deze 4X4 is de rit nog geen vanzelfsprekendheid.
Aangekomen aan de kust is het ideaal weer om te snorkelen. Met een motorbootje worden we naar een tijdelijk boven
water uitkomende zandbank gebracht. We storten ons op duikbrillen, vinnen en snorkels en gaan het water in. Nog
nooit eerder in mijn leven heb ik gesnorkeld.
Tussen de koralen en het wateroppervlak zit op de meeste plaatsen maar een halve meter, en mijn angst is dan ook
dubbel: enerzijds zit het me niet lekker dat ik heel de tijd dit kwetsbare ecosysteem moet aanraken met handen,
voeten, buik en knieën. Anderzijds had ik er geen zin
in geprikt, gestoken of gebeten te worden door de voor mij geheel onbekende gevaren zoals giftige koralen, kwallen
en zeeslangen. Na een tactische materiaalwissel (ditmaal een bril en een snorkel die niét lekken) begeef ik mij naar de
rand van de koraalrif waar het wat dieper is uitzicht werkelijk prachtig is.
Koenie komt nog vertellen hoe een achtervolging
van een reuzenschildpad hem naar een school van wel twintig schildpadden geleid heeft. Hij is er zichtbaar van
aangedaan, en terecht.
Nog lang voor ik me uitgesnorkeld voel, worden we uit
het water gefloten, en hetzelfde bootje brengt ons terug naar het Afrikaanse vasteland.
Maandag 31 & Dinsdag 1 augustus
We staan vroeg op. ’s Nachts heeft het weer geregend, wat niet optimaal is om alles in te pakken voor een reis
die bijna twee dagen zal duren. In Saadani laat iedereen nog een bedankje na voor de koks.
Een nogmaals vermoeiende busreis brengt ons terug naar de luchthaven van Dar es Salaam, met eerst een tussenstop
in Bagamoyo, een vroeger slavenstadje waar nu vooral de souvenir-afdeling interessant bevonden wordt.
Aan de vlieghaven wordt uitgebreid gehuild, geknuffeld, gemuild en geweend wanneer afscheid genomen wordt van
de mensen die nog nablijven in Tanzania. Drie dapperlingen blijven nog twee weken met USOS, dertien avontuurlijke
tweede bachers gaan nog tien dagen op eigen houtje het land door.
Dinsdagavond komen we dan aan op de Groenenborgercampus, moe maar voldaan. Om het maar met een cliché te zeggen.
Nu tijd voor enkele beelden, in volledig willekeurige volgorde. De foto's zijn niet door mij genomen, wel door medereizigers. Daarom zou ik willen vragen ze
niet te kopiëren, of als je het dan toch per se wil doen, laat het mij weten dan kan ik proberen achterhalen
wie de fotograaf was.








































































