Inleiding
Alreeds vorige zomervakantie lag het vast dat ik in 2004 een maand in Zweden zou vertoeven. Na veel wikken en nog meer wegen naar de aangenaamste, rustigste en goedkoopste formule besloot ik tot het wagen van een vierweekse trip naar Lapland. Voor wie een trekkingtocht met rugzak wil maken bulkt het daar van de mogelijkheden, en om redenen die ik zelf al niet meer ken besloot ik mij aan kungsleden*, het koningspad te wagen. Deze wandelweg, de meest toeristische van Lapland, heeft ongeveer een lengte van 440 km. Met een 26-tal dagen wandeltijd moest het dus vlot te doen zijn met een gemiddelde van een goede twintig km per dag, een makkie. Dacht ik toen.

6- 7 juli: De heenreis en aankomst in Abisko
Deze verliep zonder problemen. Met Ryanair voor een prikje tot Stockholm, en voor een tweede prikje met de trein tot het uiterste noord-westen van Lapland.
Vertrekpunt van de tocht is Abisko (wanneer je van noord naar zuid gaat). Veel inwoners
zitten hier niet, en het stationnetje is niet meer als een afdakje naast het spoor.
Nochtans wemelt het hier van de toeristen. Er is een soort van natuurtentoonstellingetje
waar o.a. de meest opvallende vogelsoorten van de fjäll te bewonderen zijn in opgezette
toestand. Enkele minuten buitenwandeling hadden mij sterk verrast over de zomerse
bloemenpracht daar en dus besluit ik mij een fjellflora met prentjes aan te schaffen.
In het reizigerswinkeltje koop ik nog rap een stafkaart die ik in België niet kon krijgen,
en wil een gasbonbonneke kopen dat bij het geleende vuurtje hoort dat ik meehad. Helaas,
dit universele type blijken ze hier niet te kennen. We zullen onze eigen vuurtjes wel
stoken, bedacht ik.
Tussen de eerste vonk en de eerste hap uit het pakje Knorr zaten anderhalf uur berookte arbeid.
8 – 16 juli: Abisko tot Saltoluokta
Al vanaf de eerste pasjes op kungsleden is de omgeving adembenemend mooi. Geen wolkje aan
de lucht en nog geen muggen te bespeuren. De twee meestgehoorde klachten over Lapland
vallen me nog niet lastig. Ik vind dat helemaal niet erg en wandel met gevatte tred verder,
meer toeristen kruisend dan me lief is.
Ik slaag erin ergens verkeerd te lopen, en na de fout hersteld te hebben kom ik een
alleenlopende Zweed tegen waarmee ik een praatje maak. Het is een marathonloper die
kungsleden op 12 à 13 dagen wil (en zal) uitlopen. Swedish design atleet heet dat.
Hij krijgt de eer om mij te fotograferen.
De verrekijker die ik om mijn nek had gebonden doet goed zijn dienst. Vogeltjes zijn hier
over het algemeen niet schuw en binnen de kortste keren heb ik enkele soorten in het vizier
die we anders enkel kennen van beeldmateriaal (voor lijst van gespotte vogeltjes, klik op
link bovenaan de pagina).
De eerste halteplaats die opnieuw zeer toeristisch is en bovendien weer geld vraagt om de
tent te zetten is vijftien km voorbij Abisko, dus ik loop nog een vijftal km verder en zet
daar, doodvermoeid, mijn tent op. Het duurt weer een eeuwigheid voor mijn eten klaar is en
het (eveneens geleende) kookpotje ziet niet alleen zwart maar is ook ranzig vies en
plakkerig van de rook.
Het blijft ’s nachts even licht als overdag, maar dat verhindert mij niet in het minst mijn
slaap!
De volgende dag kom ik na enkele km wandelen een klein groepje rendieren tegen. Ik stapte
een heuveltje op, en plots stonden ze daar, op enkele meters afstand, zo schuw als
eerdergenoemde vogeltjes. Mijn dag was goed.
Al vrij gauw kwamen de hutjes inzicht waar ik ergens in de buurt mijn tent zou opzetten.
De afstanden verrassen daar soms echter en alzo was het toch een kleine tien km verder
pas dat ik er effectief was. Het zelf vuurmaken was ik beu en ik ging dus maar in het
plaatselijke miniwinkeltje vragen of ze vuurtjes haden. Enkel gas. De behulpzame ‘stugvärd’
had geheel toevallig gelukkig nog ergens een gasbelletje liggen dat ik nodig had en die
avond kon ik eindelijk eens ontspannen koken.
Mijn voeten zijn geheel kapotgelopen en vol blaren, het vel van heupen en schouders
ziet er vrij ongezond uit op de plaatsen waar de rugzak steunt. Wanneer ik na een
uurtje stilzitten tien meter naar het meer stap om water te gaan halen voel ik mij
half verlamd. Maar ik was gewaarschuwd: de tweede dag zal de ergste zijn. Om zeven uur
viel ik in slaap.
Voor de volgende dag stonden 25 km op het programma. De regen die de vorige dag had afgesloten kwam pas terug toen ik net mijn tentje had opgezet, maar vanaf km 15 ongeveer was het een martelgang. Na enige afstanden door sneeuw te hebben gelopen waren mijn goedkope stapschoentjes doorweekt, en dat was ongeveer in de helft van de tocht… Meer woorden ga ik daar niet aan vuilmaken.
Het was dus tot mij doorgedrongen dat een planning van 20 – 25 km per dag ietwat te zwaar
zou zijn voor mijn ongeoefende voeten. De volgende dag negen km tot Singi dan maar. Vanuit
Singi heeft kungsleden een doodlopende zijtak die naar respectievelijk Kebnekaise en
Nikkaluokta gaat. Voor wie enkel de Barak Frituur en de Mont Blanc kent: Kebnekaise is
het hoogste bergmassief (tot 2117 m) van Zweden.
Van mijn oorspronkelijke plan om naar de top te gaan zie ik maar af, tot het fjällstation
is al voldoende. Mijn tentje met alles erin laat ik staan in Singi, ik zal dan maar eens
een bed betalen in het jeugdhotel. Het regent de hele dag en na een half uurtje zijn
mijn schoenen weer doorweekt. Na een om die reden zware tocht vraag ik ter plaatse een
bed in de goedkoopste kamer. 240 kronor, tack. En lakens? Ja dat is nog eens 100 kroon
erbij uiteraard. Meer dan 35 euro dus voor een nachtje in een jeugdherberg in een
slaapzaal. Ik heb absoluut nieuwe, waterdichte schoenen nodig die geen blaren meer kweken.
In het verhuurcentrum vraag ik of ik geen oud paar kan kopen. Niks daarvan, manneke!
Na driemaal zwaar aandringen kan ik toch nog twee gore-tex exemplaren krijgen, weliswaar
4 maten te groot, maar tot enkelhoogte perfect waterdicht, en een luxe rond de poot. En
slechts voor iets meer dan 20 euro!
De volgende dag arriveer ik tegen de middag al terug aan mijn tentje. Het regent
heel de tijd dus ik blijf er inzitten/slapen/eten tot de nacht. Dan word ik het beu,
en tegen half twaalf ’s nachts vertrek ik naar het volgende oord.
Als een wonder stopt het met regenen als ik mijn tent inpak, en de lucht klaart op.
Heel de nacht kom ik niemand tegen, een zaligheid!
Tegen vier uur in de ochtend arriveer ik op een plaats enkele km voor Kaitum. Boven mij
krijsen een koppel fjällvråkar, ruigpootbuizerds voor de vrienden. In de berken
(het is al drie of vier dagen geleden dat ik nog een boom had gezien) dartelen tientallen
vogeltjes die het gevaar van de mens blijkbaar nog niet kennen. De meerderheid van de
vogeltjes behoort tot het tjiftjaftype, dus determinatie is er niet bij deze keer. Is
dit plekje altijd zo? Of is het ook de combinatie van de blauwe lucht, de eenzaamheid
en de vroege ochtend die hiervan de mooiste plek op aarde maakten die ik ooit had gezien?
Ik loop verder uit het aards paradijs. Tegen negen uur ’s ochtends besluit ik ergens mijn
tent te zetten voor enkele uurtjes rust. Het is negen uur ’s avonds wanneer ik ontwaak.
Twee kilometer verder is een meer (Teusajaure) met roeibootjes. Volgens het systeem
aldaar (met drie bootjes) mag je maar overvaren als er aan jou kant twee bootjes liggen.
Dat was het geval, en toevallig samen met nog twee anderen steek ik om half twaalf ‘s
nachts het meer over. Ergens in de namiddag, zij het dan de namiddag in de nacht,
kruip ik terug in de tent.
De volgende stapdag ging richting Saltoluokta. Na de voor deze etappe laatste bergkam te hebben overklommen zie ik beneden een asfaltweg, elektriciteitspalen en auto’s. Het was een volle week geleden dat ik die nog had gezien.
17 juli: Saltoluokta rustdag en kennismaking met de Samen
Voor zes euro per dag kan je, als je in je tent slaapt, gebruik maken van alle accomodaties
van de fjällvandrarhem (soort jeugdherberg dus), zijnde keuken, droogruim, toiletten en
douche met sauna. ’s Avonds in de sauna praat ik even met een Zweed die net een hele
Ik had in een hutje een soort van sjamaan verwacht met een rendierengewei op zijn kop
die zou proberen mij allerlei lappensouvenirs te verkopen.
18 – 20 juli Saltoluokta tot Kvikkjokk
Onder een loeihard schijnende zon zet ik mijn missie verder. De joggende Zweed die ik
de eerste dag was tegengekomen wist me te vertellen dat aan Saltoluokta de kans om een
eland te zien het grootst zou zijn. Want inmiddels was ik de illusie dat in Zweden
elanden rondlopen zoals hier konijnen wel al kwijt. De meeste toeristen verlieten het
land zonder er een te hebben gezien. Dankzij het feit dat ik mijn ogen de hele tijd
wijd opensperde zag ik plots in de verte iets dat op een paard leek. De verrekijker
dat nog steeds aan mijn nek bungelde kon me nog net de zekerheid verschaffen dat het
een eland zonder gewei was. Ik wierp mijn rugbagage af en stapte rustig naar het dier
toe. Schaut mich nicht an! Ich bin kein Tier! Moet de eland gedacht hebben want
hij (of waarschijnlijker nog: ze) liep in ezelspas weg. Dichter als enkele honderden
meters was ik niet kunnen naderen. Maar de eer was gered!
Vanaf Saltoluokta begon ook het ‘botenparcours’. Iedere dag ongeveer moest minstens één
meertje overgestoken worden. Gemiddelde prijs voor de overzetter (meestal dus eerder
afzetter): 100 kronen. Vaak vroegen ze ook 150 of zelfs 200 SEK.
De weg begon vaker door stukken bos te lopen. Bijna allemaal oerbossen, maar na een
dag heb je het dan ook wel gezien. De plaag der muggen is hier nog veel intensiever
dan hoger in de fjäll en het landschap uiteraard minder spectaculair: bomen i.p.v.
besneeuwde bergtoppen zover het oog reikt.
De laatste dag voor Kvikkjokk zag ik plots op de weg iemand in een tent geduwd worden.
Haar voet zat loodrecht op de normale stand en haar man was al naar Kvikkjokk gaan lopen
om een helikopter te laten sturen. Achteraf hoorde ik dat die vrouw daar vijf uur
met ‘omgeslagen’ voet heeft moeten liggen voor ze opgepikt werd. Wat een dag!
In Kvikkjokk betaal ik nog maar eens voor een bed, en droog al wat nat is in het
‘torkrum’. De anderhalve kilo in de vorm van mijn oude schoenen laat ik opsturen
met de post naar Stockholm, een idee van Heidi, een Belgische die ik daar met
onregelmatige intervallen gedurende heel kungsleden ben tegengekomen.
21 – 24 juli: Kvikkjokk tot Jäckvik
Voor velen stopt kungsleden in Kvikkjokk. Het stuk tot Jäckvik zijn namelijk een goede
zeven mijl** zonder schuilhutjes, proviantvoorzieningen of andere benodigdheden voor watjes.
Het weer is terug volledig opgeklaard en met een zalig gevoel trek ik verder. Een
zalig gevoel, niet alleen voor het weer, maar ook voor de rust. Op die vier dagen
tijd is er maar één dag geweest dat ik enkele mensen op het pad ben tegengekomen. De
andere dagen niemand! Het nadeel was dat het pad minder was ingelopen, wat mij op
de tweede dag nogal sterk deed afdwalen. Na drie uur tussen moerassen en heuphoge
vegetatie kwam ik terug op de weg.
De eerste dagetappe begon door bos, maar ging spoedig stijl de fjäll op. Velden
fjällviooltjes, klaterende riviertjes en een heldere hemel waren enkele elementen
die ook van deze plaats een tuin van Eden maakten. Aan een stijle rotswand trok een
heksachtig gekrijs de aandacht. Raven! Ze vlogen zo hoog en recht tegen het scherpe
zonlicht dat de verrekijker niet veel kon doen. Het waren net kraaien, maar hun
geluid liet geen twijfel. Ik vond het indrukwekkend.
Eens over de bergkam maakte ik kennis met een tweede soort muggen, de zogeheten knott.
Het zijn een soort van kleine vliegjes die je komen omzwermen met honderden tegelijk.
Soms ook duizenden. Ze zitten in je oren, ogen, haar. Je ademt ze in. Ze steken niet
massaal, maar als ze steken (zuigen dus), zal je het geweten hebben! Pas nu begrijp ik
de verhalen van rendieren die zich puur uit wanhopige ellende van de muggen in een kloof
storten.
Als ontbijt eet ik wat havermout. Met warme melk en bruine suiker is dat best lekker. Met
koud rivierwater gaat het ook wel. En het is goedkoop!
Alles verloopt vlot, en na door de meest diverse landschappen te hebben gelopen, van
lentegroen bos tot kale fjäll vol stenen die herinneren aan de ijstijd met tussendoor
open berkenbos waar alles dood is, kom ik aan in Jäckvik. De dag daarvoor had ik de
poolcirkel gekruisd.
In zeker opzicht vond ik dit het mooiste en meest aan te raden stukje kungsleden
dat ik gedaan heb.
25 – 27 juli: Jäckvik tot Ammarnäs
28 juli – 1 augustus: Ammarnäs tot Hemavan
Het slechte weer van de vorige vier dagen maakt plaats voor een stralend zonnetje, dat
zich tot groot jolijt van mij nog heel de week zal laten gelden.
De derde dag loopt langs het grote meer Tärnasjön. Ik ben nog bijna geen volk
tegengekomen en geraak verhit door de zon. Wanneer ik aan een mooi strandje kom besluit
ik een frisse duik te nemen. Mijn frank valt dat mijn handdoek nog in het droogruim
van Ammarnäs moet liggen, maar dat iets voor later. Wanneer heel mijn lijf begint te
branden van het koude water zwem ik terug naar lagere gronden en kom snel terug uit
het meer. Weer een ervaring rijker, het was de moeite!
Voor de laatste stapdag, die begon in Viterskalet, had ik nog maar negen km gepland.
Ietwat weinig voor afsluitdag, dus ik besloot nog eventjes de helling van de vallei
te beklimmen tot waar het niet meer ging. Volgende foto is daar van.
2 – 6 augustus: Hemavan en de terugreis
Ik had nog enkele dagen over voor ik trein en vliegtuig terug moest nemen. De laatste
dagen bestonden dan ook uit het rondzwerven in Hemavan en Vännäs, waar ik de trein
terug zou nemen. Het Lapse weer was op zijn best, en het meeste van de tijd kon ik
rustig wat zitten lezen op een bankje. De sfeer is heerlijk in deze dorpjes. Hoe zou het
hier in de winter zijn?
Nope, het was een jong meisje achter de ‘toog’ van een gezellige als cafeetje ingerichte
woonkamer. Ze sprak perfect Zweeds en Engels en ik bestel een theetje. Ik had een thee
verwacht van zelfgeplukte korstmossen, maar het bleek Lipton Earl Grey te zijn. Het
meisje droeg een gewoon trainingspak in plaats van een lappenpakje. “Dat dragen we
alleen maar op feesten zoals huwelijken” zegt ze mij later. Zo ongemerkt mogelijk probeer
ik van mijn bezoekje een interview te maken. Ze woont er enkel met wat mensen van haar
familie in de zomer. In de winter wonen ze gewoon in Kvikkjokk als andere mensen. “It’s
a shame”, vertelt ze, “some tourists even ask me whether we’ve ever seen a TV or have
worked on a computer!”.
Overtuigd knik ik mee dat het een schande is, blij dat ik nog net die vraag zelf niet
gesteld had. Hoe kunnen we het ook weten hier… Een andere Zweed vertelde mij nog hoe
ergerlijk het vaak is documentaires over de Samen te zien die niet door Zweden zelf
gemaakt zijn…
Ik koop nog een lekkere gerookte vis (röding in het Zweeds, ik weet dus nog altijd
niet wat het was) en trap het weer af, een heel stuk wijzer nu. Maar één ding vergeten
vragen: haar emailadres!
Deel de prijs door een kleine negen en je hebt hem in euro’s. Ik moet toegeven dat de
boottochtjes erg leuk zijn, maar in totaal hebben ze mij toch meer als tachtig euro gekost.
Mogelijkheid tot zelf overroeien was er meestal niet.
Bovendien begon het te regenen. Zwaar te regenen. Natte takken zwiepen in je gezicht
en tegen je kleren. En behalve een onhandige pvc poncho van vijf euro en een
waterdoorlatende fietsbroek had ik niets tegen de regen. Het stappen in de regen
gaat ook bijna dubbel zo traag als anders. Iedere boomwortel, iedere scheefliggende
steen wordt een glijbaan en ieder stukje zand een moeras. De bosweg was gauw een
riviertje geworden.
Volgens mijn bijgewerkte dagplanning had ik hoogstens nog maar één rustdag over voor
de toekomst, dus ik besloot de volgende dag meteen verder te trekken.
’s Avonds zitten er zo enkele rotzakken in mijn tent. De grote muggen kan je buiten
houden, de kleintjes komen en masse binnen bij het openen van het ingangsdoek. Enkelen
zitten volgezogen met bloed. Out of blood hatred grows, weten de wijze Noren van
Tristania, en ik duw er zeventig dood die in mijn binnentent waren geraakt. Dan plet
ik er nog een groot aantal tussen binnen- en buitenzeil. Allemaal potentiële zuigers.
De laatste dag van de etappe kreeg ik echter last van iets anders: verveling. Door de nogal
krappe planning moest ik iedere dag meer dan twee mijl stappen om nog op tijd op mijn
eindpunt te geraken. Rustdagen had ik niet meer.
Aldus neem ik een hard besluit. Het stukje Jäckvik – Ammarnäs ga ik per bus doen.
Op die manier kan ik nog enkele rustdagen nemen om de laatste etappe rustig op het
gemak en met volle genot te kunnen afleggen.
Ergens een pijnlijk besluit, maar te beschouwen onder het principe: meegeven om te overwinnen.
In Jäckvik, waar ik de nacht ook doorbreng, kom ik nog een Belg tegen die hier ook voor
vier weken zit. Iemand met veel reiservaring (op zo’n momenten krijg je meer reistips &
tricks dan anders op een heel jaar), en aangezien hij toevallig ook in Arvidsjaur moet
zijn als tussenstop zoeken we daar samen een goedkope overnachtingsplaats, wat
uiteindelijk naast een militair domein wordt.
De volgende dag neem ik verder de bus tot Ammarnäs. De bussen zijn zoals alles in
Scandinavië: kraaknet en luxueus. En nu nog relatief goedkoop ook.
De plaatselijke herberg is onbemand, maar dat is uiteraard geen probleem. Ammarnäs
was mij aangeraden om een dagje extra te blijven, maar dat viel tegen. Aan de vogeltoren
kan je zonder telescoop weinig uithalen en voor de rest is het daar niet bepaald
spectaculair. Er is ook een naturrum maar behalve het onderdeeltje van de poolvos
is alles nogal zeer oppervlakkig. Wel verzorgd anders.
Van het begin tot het einde is deze etappe duidelijk de meest toeristische. Zo mogelijk
nog meer toeristen als rond Abisko klossen hier rond, de weg kwijtgeraken is dan ook
zo goed als niet mogelijk.
Maar minder mooi als op vorige trajecten is het hier zeker niet!
Bij de aankomst in Hemavan is het even zoeken naar het centrum, dat enkele km lager
ligt. Ik zet mijn tent naast het vliegveldje. Dat is gratis.
Mijn gas, waar ik heel de reis extreem zuinig op geweest was, moest nog leeggebrand
worden voor het vliegtuig. Op maximale stand: nog 54 minuten gebrand. Zonde.
Straks weer thuis. Straks weer nachten zonder zon. Straks weer vers voer.
Vergeet dan zeker geen bezoekje te brengen aan

*In de Scandinavische talen wordt het bepaald lidwoord achteraan het substantief geplakt
(-en of –et in geval van het Zweeds). Kungsleden betekent dus letterlijk ‘het koningspad’.
In het Zweeds spreek je de klinker ‘u’ uit zoals ongeveer in het Duitse 'überhaupt.
Wie dus spreekt over "de koengsleden" heeft duidelijk nog geen Zweeds taalgidsje vastgehad.