
2 december 2005. Tegen negen uur stijgen we op naar het land van elven, trollen en Zweden. Enkele weken voor,
ja eigenlijk reeds tijdens de blokperiode is tijdskundig gezien verre van ideaal voor een weekje Lapland,
maar gezien enige erasmusplannen was het dat of niets.
Tegen middernacht komen we aan in Stockholm centraal, alwaar een bescheiden laagje sneeuw ligt. Het station
wordt 's nachts blijkbaar afgesloten, waardoor we genoodzaakt waren onze nacht naast een kioskje wat verder in de stad door
te brengen. Zo vroeg mogelijk begeven we ons naar Arlanda Flygplats, waar we na enige uurtjes slaap het
vliegtuig opstappen richting Noordpool.
Aangekomen in Kiruna tanken we zeven liter benzine, kopen we eten voor zes dagen en schrijven we razendvlug nog enkele kaartjes. In deze periode des jaars rijden er in het weekend geen bussen naar Nikkaluokta, dus proberen we het met liften. Na een half uurtje en twee paar koude voeten rijker besluiten we toch maar de taxi te bellen. Met de chauffeur valt absoluut geen gesprek te voeren, maar wanneer we tegen negen uur 's avonds in Nikkaluokta aankomen hebben we al een rendier, een vos en een (sneeuw-?)haas gezien. In Nikkaluokta zoeken we een plekje om onze tent op te zetten. De sneeuwbedekking bestaat slechts uit een goede tien cm poedersneeuw, wat het opzetten niet direct makkelijk maakt, aangezien een haring in de bevroren grond slaan verre van mogelijk bleek. Voor de eerste keer koken we sneeuw tot een Knorr-maaltijd, onder het goedkeurende oog van een Aurora borealis gordijn. Tegen een uur 's nachts heb ik de eer als eerste in het slap opgezette tentje, recht in de slaapzak te kruipen. Nog voor Fred op zijn beurt de rits van zijn slaapzak heeft opgemaakt, galmt mijn gesnurk reeds door de donkere nacht (échte poolreizigers snurken ongeremd).

De schemer waakt ons op, en dat blijkt tegen een uur of negen te zijn. Schijnbaar zijn we wat traag, want het is niet
voor half een dat we uiteindelijk op pad gaan.
Minder dan twee uur later worden de hoofdlampjes dan ook een noodzaak. Een goed winterpad is er niet bij, dus
blijft het zaak om de schaarse naar-weet-ik-waar leidende scootersporen te volgen, die ons meermaals de koers doen verliezen.
Tegen dat het serieus donker wordt vinden we het zomerpad, en we zetten onze tent op... vijf km voorbij ons
startpunt. In tegenstelling tot onze planning hebben we Kebnekaise Fjällstation dus niet gehaald...




Een stuk voor het ochtendgloren beginnen we onze tweede stapdag.
Tot het fjällstation is nog een kleine vijftien km, we besluiten ervoor te gaan. We volgen een stuk het bevroren
meer, gevolgd door enkele kilometers oriëntatieloop om het zomerpad terug te vinden. Tegen dat de duisternis het
landschap begint op te slokken hebben we het gevonden, en we lopen nog verschillende uren in volmaakte
duisternis, ons slechs oriënterend op een open strookje in de vegetatie, waar we kunnen vermoeden dat het zomerpad
ligt. Tot er plots even geen vegetatie meer is... Verder zoeken is hopeloos en bovendien gevaarlijk, dus we
besluiten ons kamp op te zetten op wat de volgende dag een bevroren moeras blijkt.







Hoewel de routine van tent opzetten (met een beperkte hoeveelheid sneeuw) en koken er stukje bij beetje wel ingeraakt, hebben we toch telkens weer een drietal uren nodig voor we uiteindelijk in onze slaapzakken liggen, en 's morgens is dezelfde tijd nodig tussen opstaan en terug op weg zijn. Dat het hoofdlampje van Fred, nochtans een Petzl en gloednieuw, maar zeer matig presteert, vergemakkelijkt het er niet op. Mijn bijna tien jaar oude, geleende Petzl Tikka waar bovendien de voorruit van ontbreekt, doet het gelukkig heerlijk.
De volgende ochtend is de lucht net als de vorige dagen nog overtrokken.
Na een half uurtje stappen komen we aan in het fjällstation, waar we een goed plekje voor onze tent zoeken.
We inspecteren grondig alle hutjes, waarvan eentje open is voor winterwandelaars. Een rekeningnummer waarop bij
gebruik van de bedden mag gestort worden hangt prominent tegen de wand.
We beperken het gebruik ervan dus slechts om onze rugzakken te deponeren. Het gastenboek getuigt dat we de eerste
bezoekers zijn sinds anderhalve maand.
Een aanwezig bankje buiten is een welgekomen luxe voor het koken.




Na een alweer een nachtje in onze warme slaapzakken
laten we onze tent staan en maken een wandeling ter plaatse. Fred ziet een rotsblok dat op een
eland gelijkt. Het rotsblok beweegt. Elanden, ze blijven verbazen.
Ook verschillende raven zijn niet te beroerd om in dit klimaat te blijven rondvliegen. Zou ik ook doen als ik een
vogel was. Waar ik mijn eten zou moeten halen zou ik dan nog moeten uitzoeken.
Exact zoals we gewenst hadden, is de lucht helemaal opengetrokken.
Enigszins mooier dan een zomerse blauwe lucht, valt me op.
Bij het aanzicht van de Kebnekaise moeten we eens goed lachen. Dat we de top hiervan ooit als reisdoel
hebben gesteld...



De temperatuur is gedaald van enkele graden onder nul bij de start van de tocht tot een constante -15° tijdens
onze twee Kebnekaise dagen.
Hoewel onze schoenen 'voorzien' zijn tot maar liefst -46°C is stilzitten het slechtste om te doen, en om geen
vrieswonden te krijgen was eten klaarmaken een kwestie van om de beurt vijf ā tien minuutjes te koken en
vervolgens vijf minuutjes ter plaatse te huppelen, lopen of sprinten. Bijzonder vermoeiend.
De voorlaatste wandeldag breekt aan. We pakken in, borstelen naar gewoonte goed te tent af, zowel binnen- als
buitenkant, en vertrekken tegen de tijd dat de hoofdlampjes overbodig worden, zijnde een uur of tien.
Een stevige tocht staat op het programma, met als einddoel een schuilhut aan Ladtjojaure,
een groot meer tussen Nikkaluokta en Kiruna.
Tegen de middag wijst de thermometer plots -20 graden aan.
Bij het intreden van de nacht (om drie uur 's namiddags, is dat) bereiken we onze 'hut'. We leggen onze matjes
op de banken in de schuilhut en koken zo vlug mogelijk. De thermometer, die steeds enkele graden onderschatting
geeft, vertelt ons dat we aan -28°C zitten (volgens de officiële cijfers hebben we een record bereikt
bij -31). Enerzijds waren we hier best mee in onze nopjes, anderzijds was het
toch wel echt frisjes... Tegen half zes zitten onze magen vol. Om dat het nog wat vroeg is om te gaan slapen
maken we nog een maanverlichte wandeling op het meer. Zou best romantisch kunnen zijn, ware het niet dat mijn
wandelgenoot Fred is.
Tegen de tijd dat in België Tik-tak begint (is dat nog zo?) waren onze slaapzakken weer gevuld.




Na dertien uur slapen opstaan, het lukt me nét. Fred kan zoveel slaap niet aan en had al tien ochtendwandelingen gemaakt (zonder lampje en zonder mij wakker te maken, doe hem dat maar eens na!). Om niet té vroeg op onze bestemming te arriveren slaan we nog een zijweg in naar iets wat staat aangegeven als fångstgropar. Het blijken restanten van kuilen te zijn waarin vroeger wild als elanden werd gevangen. Deze vangstmethode, zo leert een plakkaatje ons, werd in 1862 definitief verboden. Een put van minstens honderdvijftig jaar oud, mooimooi.

Tegen de middag arriveren we in Nikkaluokta, waar we een bus hebben in de late namiddag.
Vijf uren die niet alleen knoertsaai, doch vooral erg vermoeiend zijn.
In Kiruna aangekomen overnachten we nog in een herbergje, alwaar stank, vuil en andere rans,
gedurende zes dagen opgespaard, ons via het
afvoerputje van de warme douche kunnen verlaten.
Een zeer lange treinrit en een iets kortere vliegtuigreis voeren ons terug naar België, waar de blok ons wacht...
