|
Speuren naar veelvraten in Järvparken

(Dit verslag was oorspronkelijk geschreven voor mijn blog, hieronder
een kopie ervan)
Bon, jullie hadden nog een verslagje van mijn laatste trektochtje tegoed,
dus dat zal ik nu eens proberen neerzetten alvorens ik naar Stockholm
ga en vlak na een ochtend vogelkijken, waar ik Blauwe Kiekendief en Slechtvalk
in hetzelfde telescoopbeeld te zien kreeg, en verder ook nog Bruine Kiekendief,
Zeearend en een Sperwer die een Veldleeuwerik probeerde verschalken maar
hier niet in slaagde, Kraanvogels, Wilde Zwanen, Riet- en andere ganzen,
en nog veel, veel meer.
We waren dus Pasen, de tijd waarin de Zweed naar zijn of haar familie
afzakt om daar de buik te gaan rond eten en dergelijke. Weer een reden
dus om zonder gezelschap ergens wat te verkennen. Bestemming was ditmaal
het relatief kleine, onopvallende natuurreservaatje Järvparken*,
een 150 km ten westen van Umeå. De motivatie was de beweerde aanwezigheid
van maar liefst drie wolverijntjes in de omgeving, zoals veelvraten in
Oud-Vlaamse geschriften wel eens worden genoemd. Het was vijftien km tussen
de dichtsbijzijnde busstop en de place to be, dus ik was bijzonder blij
dat ik een lift kreeg van een man die juist naar het groepje huizen aan
het einde van die 15 km moest zijn. Hij zei dat in deze tijd van het jaar
zijn moeder de enige persoon is die langsheen de weg woont, dus chance
heb ik wel gehad met deze lift. Onder een stralend blauwe zon steek ik
eerst het meer over om het eigenlijke reservaat binnen te dringen. In
de late namiddag strijk ik ergens strategisch neer (op de overgang van
het bos met een open vlakte, als dat niet doordacht is). Tot groot jolijt
bevindt zicht tussen mijn ski's en de begane grond een goede 120 cm sneeuw.
Uiteraard begin ik een sneeuwhol te graven, en enkele uren later installeer
ik daar al mijn gerief, mijn licht verongelijkte tent in een hoekje dumpend.
Alvorens te gaan slapen leg ik ook twee bevroren maar dode kwabalen op
een 50-tal meter afstand van mijn hol. Kwestie van de veelvraten te lokken,
zoals leden van de soort Gulo gulo in modern-Vlaamse geschriften
wel eens worden genoemd . De kwabalen (Lota lota) had ik van
een collega gekregen. Hij had ze gevangen, en de vissen die zijn metingen
niet hadden overleefd ingevroren. Drie dagen heb ik vervolgens doorgebracht
op zoek naar sporen van de veelvraat. De zon scheen duchtig het meest
van de tijd, vooral overdag dan, en de temperaturen kwamen wel eens in
de buurt van het nulpunt (in de zon en op een zuid-helling, weliswaar).
De grote hoeveelheden sneeuw hier op de bomen waren prachtig. Dit had
ik zelden gezien, en de dikke laag sneeuw geeft vaak leuke effecten onder
het naalderdek van de sparren, waar de sneeuw niet zo makkelijk kan komen.
De sneeuw was hier ook helemaal anders dan in Abisko, zachter, en veel
geschikter dus voor mijn legerski's. Hoewel de plaats nog een honderdtal
km van de fjäll is waren er enkele heuvels, en vooral: met boomloze toppen!
Het leuke hieraan is natuurlijk het open zicht. Tevens vermeldenswaardig
is dat ik heel de tijd geen levende ziel heb gezien, behalve dan iedere
dag een sneeuwscooter of twee die in de buurt passeerden. Na drie dagen
dwalen in dat deel van het gebied dat binnen de range van mijn sneeuwhol
ligt, kan ik dus wel zeggen dat ik de omgeving vrij nauwkeurig heb uitgekamd.
Vossensporen, sneeuwhazensporen, rendieren, ... maar geen veelvraat. Zelfs
mijn kwabalen (wat een zalig woord toch, kwabaal) werden niet interessant
bevonden. Ook niet door de vossen trouwens. Kunnen ze geen bevroren vis
ruiken? Of misschien lusten roofdieren gewoon geen kwabalen?
Het was tevens mijn eerste keer slapen in een sneeuwhol. Het moeilijke
met slapen op sneeuw vind ik het maken van een vlakke ondergrond. Ga je
voor het slapengaan eens fout zitten op je matje krijg je een put van
amper een centimeter of twee, die afhankelijk van de locatie een goede
nachtrust grondig in de weg kan staan. Na twee nachten is de sneeuw onder
het matje ook helemaal ijs geworden, wat niet bijzonder zacht is. Een
leuke zaak is dan weer dat je iedere avond je slaapruimte wat groter kan
maken. Echte grenzen zijn er niet, de laatste nacht had ik dan eigenlijk
ook een gast of drie kunnen uitnodigen om te blijven slapen. De temperaturen
's nachts gingen van -10 tot bijna -20, maar in mijn holletje kon ik tijdens
de koudste nachten toch een behaagelijke -7 houden. In vergelijking met
een tent heb je bijvoorbeeld ook geen hinderlijke vallende ijskristallen
van je plafond. De allergrootste beloning van het niet gebruiken van je
tent is natuurlijk dat je deze bij het thuiskomen niet moet te verluchten
hangen!
Voor de terugweg had ik ook maar een dag uitgetrokken gezien de vijftien
km tot de bushalte. Geen lift deze keer, de weg was wel altijd goed geruimd
en onderhouden, en bestond dus uit een laag sneeuwijs. Veel controle met
ski's laat dat niet toe op ski's maar het glijdt wel uitmuntend en ik
was dan ook drie uur voor de bus aan zou komen aan de bushalte. Tijd dus
om te liften: ik werd meegenomen door een studentenkoppel uit Umeå en
aan mijn deur afgezet. Om het maar over een mooie afsluiter te hebben...
*Voor de overijverige zoekers: 'Järvparken' is slechts
een pseudoniem.

| |