
Het was al meer dan twee jaar geleden dat ik er nog eens in
mijn eentje op uit getrokken was, en niet in het minst vanwege de mooie
herinneringen daaraan had ik een sterke behoefte nog eens zulks
te ondernemen.
Ook nu is de bestemming de Zweedse fjäll, zij het deze keer helemaal in het zuiden daarvan, ongeveer midden-Zweden. Deze keer zal ik ook herfstelijke omstandigheden kunnen ervaren, wat blijkbaar zwaarder is dan ik me had ingebeeld.
Heentocht
Het is al na middernacht wanneer ik in Stockholm aankom. Het is een heldere nacht. Ik werp een blik op een plattegrondje van Stockholm, en rep me naar het dichtstbijzijnde park. Ratten en konijnen lijken mijn enige gezelschap te worden. Moe rol ik mijn matje uit op een bank, en leg me in mijn slaapzak.
Hoewel ik wegens de gelijkenis met het Antwerpse Stadspark aanvankelijk redelijk bang was wakker te zullen worden met een slechte smaak in mijn mond en pijn in mijn poep, heb ik prinselijk geslapen. Ik berg alles terug op en begeef me weer naar het centraal station om mijn van te voren gereserveerde trein-busticket uit een van de automaten te halen.
Na een overstap of twee zit ik voor enkele uren in de bus op weg naar Särna.
Wanneer ik in de late namiddag mijn ogen terug open zie ik nog
een of ander plakkaatje dat me onraad doet ruiken. “Was dit Särna?”
vraag ik een medepassagierster. “Ja.”
“Shit” mompel ik instinctief en overbodig, terwijl ik naar de chauffeur hol. Gelukkig is dit
geen trein en nog gelukkiger werd ik nu wakker en geen kwartier later.
In Särna kan ik nog een flesje benzine vullen, en vervolgens begin ik te stappen. Geen enkele voorbijrijdende chauffeur heeft aandacht voor mijn liftende gebaren. Het is nog een kleine drie (Zweedse) mijl tot Mörkret (‘het Duister’) waar de bergen beginnen. Na een zevental kilometer word ik het beu. Een auto stopt. Twee Gotlandse hoenderjagers lijken medelijden met me te hebben, en ik kan nog meerijden. Hoewel het na een zware dag niet meevalt op een versnellingspook te zitten tussen twee jagers omdat de achterruimte vol honden en geweren zit, ben ik enorm blij met deze meevaller. Het scheelt me een dag stappen.
Dag 1: Mörkret – Njupeskär (8+3 km)
Diezelfde avond nog trek ik de bergen in. Waar ik op gehoopt had blijkt er te zijn: bosbessen à volonté. Hier is de herfst reeds begonnen. Uiterst in mijn nopjes wandel ik genietend van het uitzicht en de frisse natuur de fjäll in, hierbij terloops Njupeskär passerend, Zwedens hoogste waterval (93m).
Na enkele kilometers zit ik bovenop het berglandschap en ik
zoek een plaats om mijn tentje op te zetten. De ondergrond blijkt in al zijn
rotsigheid geen dankbare kampeervriend. De bosbessenstruikjes wel.
In het donker ga ik me nog even verfrissen in een riviertje. Het begint te regenen.
Dag 2: Njupeskär – Brattfjället (12 km)
Ik kan mijn tent niet droog wegsteken, want het stopt niet met regenen. Mijn kledij is op zulks voorzien, dus ik vind dat niet erg, integendeel. Soms eens het zuidelijke kungsled (‘Koningspad’) volgend, dan weer een ander aangeduid pad en dan weer op kaart en kompas kijkend gaat de tocht zuidwaarts.
De regen kan mijn humeur niet verpesten, en geregeld houd ik halt om wat blauwe bessen van hun takje te rippen.
Twee jaar geleden had een Zweeds meisje met heel wat
botanische kennis me het volgende paddestoelentrukje
geleerd: 1) zie dat hij buisjes heeft, 2)
neem een hap van de paddestoel, 3) als hij slecht smaakt, spuug hem
dan uit. Als hij goed smaakt is hij eetbaar.
Het is van deze theorie dat ik dankbaar gebruik maak bij het
mij toe-eigenen van extra mycotische calorieën.
Tegen de vroege namiddag besluit ik het pad te verlaten, en mijn nieuwe kompas eens uit te testen. Nu begeef ik me naar regionen waar misschien drie mensen per jaar passeren. Het weer wordt guurder. Bovenop de berg die ik me als tussendoel had gesteld waait het als gek, en wat erger is: er hangt een dichte mist. Ik voel me plots wat misselijk worden, en gooi mijn rugzak af om in mijn keel te poken. Zonder resultaat.
Even nog stap ik verder, maar onder deze condities en met
mijn ervaring lukt het niet me nauwkeurig genoeg te oriënteren om verdere
stappen te ondernemen. Ik koel af, mijn vingers zijn reeds doorkouden.
Wederom verplicht een misselijkheidsbui
me mijn ruglast af te werpen. Ditmaal bereikt mijn reeds schaarse maaginhoud wel de begane
grond. Ik begin te beven van de kou, en besluit dat ik zo vlug mogelijk mijn
tentje moet opzetten.
Op wat rotsblokken met een laagje mos op, in de regen en in
de wind.
Tien minuten later lig ik in mijn slaapzak te rillen. Mijn
huisje staat alles behalve stevig en ik vraag me af hoelang het moslaagje de
haringen (piketten voor de vrienden) zal houden.
Waarom heb ik geloof gehecht aan de champignonnentruken
van een onbekend meisje? Een Zweeds meisje dan nog, en die zijn extra
onbetrouwbaar.
Ongeveer om het kwartier wordt mijn bovenlijf samengeperst als
door de wurggreep van een boosaardige Boa constrictor, en aangezien mijn maag al lang
leeg was kan ik de schrale taigavegetatie in mijn voortentje slechts verrijken
met niet bepaald ondankbare hoeveelheden gal.
Na enkele uren komen mijn voeten terug op temperatuur. Ook de boosaardige Boa heeft mijn tentje verlaten. De regen en de wind kunnen er daarentegen geen genoeg van krijgen. De wraak van de paddestoel jaagt me naar buiten voor andere redenen, die ik niet vanuit mijn slaapzak kan arrangeren.
Ik besef dat giftige paddestoelen tot een trage en pijnlijke dood kunnen leiden. En ik besef dat hier geen toevallige passanten komen, en dat ik evenmin materiaal bij me heb om noodsignalen uit te zenden. Dat ik in deze toestand geen kilometer kan wandelen. En dat de wind mijn schuilplaats aan het neerhalen is.
Na middernacht val ik in slaap
Dag 3: Brattfjället - Särnmanskojan (10 km)
Zo slecht heb ik zelden geslapen. In het pikkedonker meende ik dat mijn tentboogstok was gebroken, want het tentzeil trachtte me heel de nacht te verstikken. Ik was bang voor wat de algemene schade zou zijn, maar bij het ochtendgloren bleek het mee te vallen. Een drietal haringen was losgekomen, met als gevolg dat er een plas regen op het grondzeil lag, die ook mijn slaapzak niet gespaard had. Mijn voortent was half weggewaaid, en de jas en broek die daar lagen hadden het geweten. Ergens mag ik van geluk spreken dat die niet waren weggewaaid.
Het stopt met regenen, na 30 uren. De tent wordt zelfs begroet door een waterig zonnetje.
Zo goed en zo kwaad als mogelijk haal ik met een vodje het water weg uit de tent.
Nog wat pips verlaat ik een uurtje later deze plaats des onheils, dit oord van verderf. Niet om mijn oorspronkelijke
wildtrekplan voort te zetten, wel om terug het vertrouwde kungsled op te zoeken. Als ik dan nog eens
sterf is de kans tenminste reëel dat ik ooit gevonden word.
De regen heeft zich niet ingehouden. Bestaande riviertjes zijn buiten hun oevers getreden, en de overgrote meerderheid van stromen zal je op geen enkele kaart terugvinden. Meermaals moet ik van botinnen naar sandalen switchen om op kniehoogte door de brandend koude rotzooi te stappen. Na een klein aantal kilometer kom ik een raststuga tegen, een rusthut die in feite niet bedoeld is om in te overnachten, tenzij in noodsituaties. Ik neem de vrijheid dit een noodsituatie te achten. Tenslotte was door de regen en mijn onzorgvuldigheid mijn stafkaart aan flarden gescheurd.
Met behulp van het kacheltje stook ik het binnen lekker warm, en geef al mijn materiaal de kans te drogen.
’s Nachts word ik af en toe wakker van het huilen van de wind. Als het effectief zo hard stormt als het klinkt, durf ik hier in de buurt nooit meer in een tent te slapen.
Dag 4: Särnmanskojan – Storbekkåsen (30 km)
Als ik nu de wind niet in de rug had gehad was ik amper vooruit gekomen. Het is erg fris en er hangt motregen, die dus gelukkig slechts van achteraan en opzij op me instriemt.
Vaak moet ik enkele meters omlopen van het pad om een doorwaadbare plaats te vinden. Maar plots lukt ook dat niet meer. Ik moet nu enkele kilometers rondlopen, rond een hoop onderling verbonden meertjes. Overigens is het pad meestal ook onbegaanbaar, want overstroomd. Hier kan zelfs Gore-tex geen droge voeten meer garanderen. Tegen de namiddag tref ik aan een volgende hut een Gotenburger aan, van wiens Zweeds ik niets begrijp. Jammer genoeg ook niet van zijn Engels, dus vrij vlug zet ik de tocht verder.
De Noorse grens ligt op slechts enkele kilometer van het
pad. Dus volg ik een zijspoortje, om voor het eerst in mijn leven naar het land
van walvisjagers en mooie muziek te gaan.
Dit stukje Noorwegen wis ronduit prachtig. Amper ben ik de
grens over (toevallig ook de bergkam) of de wind gaat liggen. Na een klein
stukje afdaling kom ik in een open loofbos terecht, en ik twijfel er niet aan
dat dit uitstekend habitat is voor de Bruine Beer.
Helaas maar niet onverwacht zie ik er geen. Wanneer ik ’s avonds aankom aan een
soort open schuilplaats vind ik nergens… drinkwater! Over sarcasme gesproken.
Gelukkig blijkt mijn maag beter overweg te kunnen met moerasvocht dan met
paddestoelen. Tot mijn spijt kom ik in Noorwegen geen enkele Noor tegen.
Dag 5: Storbekkåsen – Björnholmssätern (6 km)
Terug naar Zweden. Ik passeer stukken natuur van ongekende pracht, ook hier kon het niet anders of er zitten ten minste soms beren. Bos kan mooi zijn, maar dit oerbos slaat absoluut alles. Omgevallen bomen die opgegeten worden door korst- en andere mossen, de geur, de mierenhopen tot twee meter hoog, de heldere riviertjes,… dit is onbeschrijfelijk.
Bovendien is het zonnig weer, en wanneer ik een mooi kampeerplaatsje vind naast een reeds verlaten zeldzaam vakantiehuisje zet ik hier mijn kamp op.
In de rivier was ik zowel mijn kleren als mezelf. Wat dat laatste betreft: dit gebeurt maar erg gedeeltelijk. Blijkbaar is mijn conditie er niet naar de frisheid van het water aan te kunnen.
Een namiddagje ontspannen in de herfstzon doet deugd. Ik lees wat, experimenteer nog wat met mijn fototoestel, schrijf wat, en maak waarachtig zelfs een kampvuurtje.
Dag 6: Björnholmssätern – Närfjällsstugan (25 km)
Inmiddels was mijn frank ook
gevallen dat ik nog veel meer dagen tot mijn beschikking had dan noodzakelijk
om via de nodige omwegen tot het gestelde eindpunt te geraken, wat op zich een
rechtstreeks gevolg was van de slechts matige reisvoorbereiding.
Ik had me dan ook voorgenomen rustig tot het eindpunt te
wandelen, en van daaruit misschien nog een dag of twee lusvormige
trips te doen.
Tot hoever ik vandaag zal geraken
ligt niet van tevoren vast, zoals het overigens alle dagen al is geweest.
Ik loop langs een open plek waar een troepje kruisbekken
zich ophoudt. Jammer genoeg kan ik niet zeggen welke soort het is, ik vermoed
de ‘gewone’ Kruisbek.
Het landschap is erg divers; van oerbossen tot kaalfjäll, met soms steile beklimmingen. De hut waar ik ’s avonds aankom is redelijk groot. Ik hak wat berkenstammetjes uit het brandhouthok in fijnere stukken om het kacheltje aan de praat te krijgen. Wanneer mijn eten opstaat komt een stel zwijgzame Duitsers binnen. Hun onwil Engels te spreken komt eerder over als asocialiteit dan als verlegenheid, temeer daar het overduidelijk is dat hun Engels een stuk beter is dan mijn Duits. Ze zijn hun trip deze ochtend begonnen en zullen maar liefst drie weken lang de bergen doortrekken…
Dag 7: Närfjällsstugan – Tandådalen (12 km)
Vandaag plan ik de laatste etappe tot het eindpunt, zijnde Sälen. Een dertigtal kilometer staat op het programma,
hoewel ik weet dat dit waarschijnlijk wat te veel hooi op mijn al niet echt
scherpe vork zal zijn.
De overvloedige regenval mag dan al een dag of vijf geleden
zijn, aan het landschap te oordelen had het ook gisteren kunnen zijn. Wanneer
een pad in de Zweedse bergen door een moeras loopt, zijn gewoonlijk houten
loopplanken voorzien waarop je droog de overkant kan bereiken. Maar wat doe je
als die loopplanken zelf een decimeter onder de waterspiegel liggen en nog eens
een decimeter extra doorzakken wanneer je erop loopt?
Voor een bepaald traject van minder dan twee kilometer heb ik meer dan een uur nodig. En dan blijkt plots dat ik verkeerd zit. Hoe ik erin geslaagd ben de verkeerde weg te volgen, vraag het niet aan mij. De keuze bestond uit terug deze route te volgen en de juiste weg proberen vinden, of via deze weg verder te gaan en al erg spoedig bij het eindpunt aan te komen.
Het wordt het laatste.
Waar ik aankom staan veel
vakantiehuisjes van mensen die hier in de winter graag komen skiën. Nu is er
weinig leven te bespeuren.
De tabel aan een bushokje zegt me dat over twee uren een bus
aankomt, met als eindpunt Malung.
Ik was het wandelen moe, de fjäll
beu en het gebrek aan comfort en goed eten zat.
Bovendien kwam het weekend eraan, en zou ik misschien niet voor
maandag wegraken als ik hier bleef. Het werd dus de bus naar Malung.
Aangekomen valt me op dat het weer bijzonder mild is. Net
zoals de Belgische nazomer, zoals ik later vernam. Niets doet vermoeden dat het
tweehonderd kilometer oostelijk zo bar is. Ik zoek het station op, en kom
erachter waar dit dorp waar ik nooit eerder van gehoord heb gesitueerd
is. Met behulp van een plattegrondje zoek ik een plekje om mijn tent te zetten waar
ik er niet voor moet betalen.
Postludium
Twee dagen breng ik door in Malung, wat een erg charmant dorpje blijkt, naar de plaatselijke normen misschien zelfs een stadje. “Welkom in Malung, ’s werelds ledercentrum” staat in het groot te lezen op iets wat misschien wel als marktplein dienst doet. Graag zou ik hier eens even, laat ons zeggen een half jaar, op Erasmus zitten, om te weten te komen hoe het leven van de mensen hier is, hoe het is om in midden-Zweden te wonen in wat op het eerste zicht zo’n schilderachtig en sympathiek dorp lijkt.
Hoe dan ook, zoals beloofd aan mijn mama kom ik heelhuids terug. Met open armen wordt ik onthaald aan het station.