|
Abisko, poolvossen en Fransen

(Dit verslag was oorspronkelijk geschreven voor mijn blog, hieronder een kopie
ervan)
Beneden, in mijn living zeg maar, staat mijn tent in halfopgezette toestand
te verluchten, liggen een hoop stinkende kleren, wat materiaal dat nazicht nodig
heeft en een paar houten ski's dat weer eens een laagje teer nodig heeft. Of
anders gezegd: vorige week ben ik zoals voorspeld een trektochtje gaan maken.
Voor de ongeduldigaards: het beeldmateriaal bevindt zich onderaan deze post.
Zoals wel eens meer het geval durft zijn in dit land kon ik niemand warm maken
om mee te gaan, dus vertrok ik op mijn eentje. Na een dag treinen kwam ik aan
in Abisko, alwaar ik een plekje zocht om de tent op te zetten en om voor de
volle honderd percent te genieten van het echte winterkamperen: in het licht
van een hoofdlampje sneeuw smelten om eerst een thermos te vullen, dan een tasje
bosbessen-frambozensoep te genieten en vervolgens ook een maaltijd te nuttigen.
Comfortabel zittend op een driekwart meter sneeuw (wat betekent dat het dit
jaar relatief weinig gesneeuwd heeft daar), en voorlopig nog het gehuil op de
achtergrond van sledehonden die het te vroeg vinden om te gaan slapen. Uit een
betrokken hemel dwarrelen verwaarloosbaar kleine ijskristallen.
De volgende ochtend wacht me een stralend blauwe hemel. Het doel van mijn korte
trip is 'Lapporten', ik denk dat je dat kan vertalen als 'Poort naar Lapland'
of zoiets, en deze plaats is een soort smalle vallei gericht naar het Zuid-Oosten,
als je landschapsfoto's van rond Abisko zoekt zal je deze 'poort in de bergen'
meer dan eens te zien krijgen (ik typ in 'Abisko' in Google en zie het eerste
en vierde prentje al direct mijn woorden bevestigen). Om tot daar te geraken,
een kleine vijftien km van Abisko, moet eerst wat halfopen berkenbos doorploegd
en vervolgens wat meer kale fjäll doorgestoken worden. Zoals gewoonlijk
zijn de afstanden wat bedriegelijk, en de poort lijkt 15 kilometer lang dichtbij
te zijn. Soms heb ik de luxe een sneeuwscooterspoor te kunnen volgen, soms moet
ik mijn eigen sporen skieën, maar steeds heb ik het gemak van een ver zicht
wat de oriëntatie erg vergemakkelijkt!
De zon schijnt zo overtuigd in het windstille landschap dat ik ondanks de -15
graden mijn wollen hemd moet openen om niet te veel te zweten. Ook als er geen
sneeuwscooter- of hondensleesporen aanwezig zijn is het moeilijk je eenzaam
te voelen. Overal wordt het sneeuwtapijt doorkruist door sporen van hazen, vossen,
rendieren, sneeuwhoenen, en meer.
Naarmate ik hoger op de fjäll kom wordt de sneeuw harder en de helling
steiler. Niet echt steil nochtans, maar met simpele houten legerski's aan mijn
voeten zijn relatief zwakke hellingen vaak al een uitdaging waar mijn triceps
kunnen van meespreken.
Tegen een uur of vijf kom ik dan eindelijk aan bij de Poort van Lapland. Ten
gevolge van de overheersende windrichting en de helling is de sneeuw daar opgehoopt.
Ik had geen idee hoe hoog, maar ik wilde eens wat nieuws proberen en begon een
sneeuwhol te graven. De sneeuw was hard genoeg zodat in principe een dakje van
20 centimeter wel zou volstaan. Ik ga toch maar voor meer zekerheid en graaf
zo diep mogelijk. Na enkele uren zwoegen heb ik een gat van twee meter diep
gegraven, waar zonder problemen een vette diepvriezer in zou passen, plus dan
nog enkele extra kwadraatmeters die als trap moeten dienen. Alvorens de volgende
stap te zetten, namelijk een horizontale gang graven, trakteer ik mezelf eerst
op een maaltijd.
In tegenstelling tot mijn vorige wintertrektocht (die verdorie al twee jaar
geleden is) heb ik nu geen last van koude tenen. Enerzijds omdat ik ontdekt
heb dat wollen sokken toch warmer zijn dan synthetische, anderzijds omdat ik
in de legerwinkel een soort vilten/wollen overbotinnen gekocht heb. 'Die de
soldaten aandoen als ze de wacht moeten houden', volgens de man van de winkel.
Het moet een uur of negen zijn als ik aan mijn horizontale gang begin. Het is
heel wat werk, niet enkel omdat ik telkens nogal hard moet poken om wat sneeuw
los te krijgen, maar vooral ook omdat ik telkens de losgeschopte sneeuw twee
meter hoger moet zien te krijgen. Mijn gat vordert en het begint wat te waaien.
De noorderlichtvoorspelling in het achterhoofd houdend kijk ik geregeld eens
naar boven, een manoeuver dat beloond wordt, want plots is de groene schijn
daar. Voor zoiets leg ik mijn spade toch even ter zijde, om ontroerd tijd te
maken voor dit schouwspel. Groen-grijze gordijnen waardoorheen sterren zichtbaar
blijven sluiten met razende vaart het hemelgewelf, het onderliggende sneeuwlandschap
enigszins verlichtend. Het schijnsel verdwijnt weer om ergens anders op te duiken.
Na een tiental minuutjes is het voorbij, en begin ik terug te graven. Mijn gang
wordt anderhalve meter diep, en de wind begint serieus op te steken, poedersneeuw
met zich meenemend. Het storende poeder turbuleert tot in het einde van mijn
gegraven gang. Dat is jammer, want ik wil geen sneeuw in mijn gezicht hebben
gedurende de ganse nacht. Ik besluit dus nog een zijgang te maken van mijn gang,
in de hoop hiermee de wind te snel af te zijn. Het begint nu echt vermoeiend
te worden om me in de ongeveer een meter hoge gang verder te graven, af en toe
het graafsel naar boven afvoerend. Vermoeidheid overmant me en ik leg me neer
in het einde van mijn gang, terwijl de poedersneeuw zich opstapelt in de schacht
die naar mijn sneeuwgang leidt. Ternauwerdood heb ik de discipline niet in slaap
te vallen in het verbazend warme sneeuwhol, en ik besluit dat de enige oplossing
is toch maar mijn tent op te zetten in de harde wind. Ik heb de gewoonte mijn
tent op te zetten alsof ik me in een sneeuwstorm bij -17 graden bevind in mijn
eentje, wetend dat een kleine ondoordachtzaamheid mijn schuilplaats weg zal
blazen en dat me dan slechts de onbeschutte poolnacht te wachten staat. Deze
ietwat dramatische routine komt me nu dan ook erg van pas, en gelukkig is de
sneeuw hier erg hard, wat het stevig vastzetten van de haringen vergemakkelijkt.
Geen wegvliegende tent, en ik leg me te slapen, lichtjes treurend dat mijn zes
uur graafarbeid me geen nachtje onder het sneeuwoppervlak oplevert.
De volgende dag waait het nog onverminderd voort, en de harde poedersneeuw
is nog steeds van de partij. Het wordt vaak aangeraden een sneeuwwal rond je
tent te schuppen ter isolatie. Ik had dat niet gedaan omdat ik een goede ventilatie
verkies. Daarbij had ik niet aan het andere gevolg gedacht: de poedersneeuw
had zich zowat overal genesteld waar ook de wind zich had bevonden: tussen mijn
binnen- en buitentent, zelfs bovenop mijn binnentent lag een laag poeder. Zo
had ik weer wat bijgeleerd. Maar dat was niet het enige. Om gewicht te sparen
had ik vijf sneeuwharingen mee, voldoende om de tent op te zetten in normale
omstandigheden, terwijl mijn ski's, skistokken en sneeuwschop dienst doen als
extra ankerpunten in geval van sterke wind. Ik had gepland om een dagje zonder
rugzak rond te hangen in de geburen, op zoek naar bijvoorbeeld veelvraten. Ten
eerste was ik zo dom geen skibril mee te nemen (om gewicht te besparen en ook
omdat ik er geen heb). Daardoor was het bijna onmogelijk verder dan honderd
meter tegen de wind te stappen, want dan bevroren mijn ogen, wat erg onpraktisch
is. Anderzijds durfde ik wegens de wind mijn ski's en skistokken niet uit de
sneeuw te trekken, ze hadden immers de niet onbelangrijke functie om de tent
op haar plaats te houden. Die dag was ik dus een beetje beperkt in mijn mogelijkheden,
die vooral bestonden uit machteloos toezien hoe de sneeuw mijn arbeid van de
vorige dag mooi had teniet gedaan. Moest ik toch in mijn sneeuwhol geslapen
hebben was het nog een mooie uitdaging geweest me terug vrij te schuppen.
De volgende ochtend was de wind na meer dan 24 uur eindelijk gaan liggen. Ik
pakte mijn gerief bijeen om terug te keren richting Abisko. 's Ochtends was
het overtrokken, en het licht was zo diffuus dat het onmogelijk was oneffenheden
en hellingen te onderscheiden in de sneeuw, voorwaar een ongemak voor een rechtgeaard
skiër. In wanhoop zong ik dan maar luidkeels 'Die Sonne' van Rammstein,
gelukkig met succes. Het enige ongemak was dat door de harde wind van de voorbije
nacht de sneeuw op vele plaatsen was weggeblazen tot op de rotsen, zodat ik
geregeld de ski's moest afnemen, ze dan weer aantrekken als er wat sneeuw lag,
terug afnemen enz...
Ook is het met deze ski's gemakkelijker een helling op te gaan dan (gecontroleerd)
af te dalen, wat me meer dan eens in de sneeuw deed bijten. Mijn handschoenen
waren van het graven ook nat geworden (niet zo leuk om terug aan te trekken
eens ze bevroren zijn), en eens terug in het berkenbosgedeelte aangekomen stookte
ik lustig een vuurtje om het vocht uit mijn thermische handenbescherming te
verdrijven. Tevens kon de rookgeur ook mijn zweetstank vervangen. Vergeet niet
dat ik in mijn slaapzak in een niet-ademende nylon zak lig, om te vermijden
dat mijn lichaamsdampen bevriezen in de slaapzak, hierbij de isolatiewaarde
van deze laatste naar beneden halend.
Verder was het echt geen gemakkelijke opdracht om met een grote rugzak door
het berkenkreupel te manoeuvreren, maar voor de laatste kilometers bots ik op
een sneeuwscooterspoor en gaat de terugtocht naar Abisko aan hoge snelheid.
Ik ga in een herberg vragen of ik de komende nacht daar kan blijven slapen,
en zet mijn tent nog op voor deze nacht, enkele honderden meters van het dorp.
Ik maak nogmaals een stevig vuurtje aangezien dat eigenlijk superplezant is.
De volgende ochtend, terwijl ik mijn tent inpak, komt een Fransman op sneeuwschoenen
aangesleft. Hij ziet mij en kan bijna niet geloven dat ik in de tent geslapen
heb. Hij vraagt of hij een foto mag nemen, en als hij dan nog de restanten van
mijn vuurtje ziet maakt hij waarachtig een filmpje. Hij verblijft met zeven
Franse collega's in dezelfde herberg als waar ik de komende nacht geboekt heb.
Ik laat er 's ochtends mijn gerief achter, en maak nog een dagtochtje op ski's.
En een vuurtje. De acht Franslui zijn bijzonder toffe mensen, en we amuseren
ons die avond, en de ochtend daarop, waar we nog een wandeling op het meer maken
alvorens allemaal samen de trein terug te nemen. Het blijken acht leerkrachten
uit Parijs te zijn. Het voelt ietwat onwennig om vijf jaar geleden nog het ettertje
te zijn dat zijn uiterste best deed dat het leven der leraars zo zuur mogelijk
te maken (maar laat ons eerlijk zijn, het was wederzijds), om nu met deze mensen
een leuke tijd door te maken. Een van de leerkrachten krijgt een sms'je van
zijn vader. De Franse website, die leerlingen de mogelijkheid geeft leerkrachten
te beoordelen op verschillende kwaliteiten met een score van nul tot twintig,
is nu officieel verboden. Heerlijk toch, dat internet. Met spijt in het hart
neem ik in Kiruna afscheid van dit sfeervolle octet. Terug naar de Zweden, die
weliswaar ook probleemloos een octet kunnen vormen, maar of dit ook sfeerschoppend
kan genoemd worden is een heel andere vraag.
Op mijn tocht heb ik geprobeerd te werken aan mijn spoorleeskwaliteiten. Interpretatie
van sporen is echter geen supergemakkelijkheid (in de meeste gevallen is de
afdruk niet meer zichtbaar en moet je het doen met de positie van sporen ten
opzichte van elkaar in de sneeuw), en ik stuur een mij onbekend spoor door naar
Mikal van de Zweedse Roofdiervereniging. Hij meent dat het wel eens een poolvos
kan geweest zijn! Voor zij die het niet weten, de poolvos is een van Zwedens
zeldzaamste dieren, lokaal zeer bedreigd. Dus: hoera met dit spoor!

| |